Bij de beste vijf tijden, ooit door vrouwen gerealiseerd op de 10.000 meter, staat drie keer de naam van Ingrid Kristiansen. Twee Chinese atletes gaan haar voor. 'Maar die zullen we niet serieus nemen', aldus de inmiddels gestopte Noorse toploopster, met verwijzing naar de dopinggeruchten rondom het leger van Ma Junren en de plotselinge ineenstorting daarvan. Op verzoek schrijft Kristiansen het recept voor een mooie tien kilometer.
'Het moeilijkste van de 10.000 meter is het aantal ronden: 25 keer 400 meter. Als je het goed doet of als je goed in vorm bent, kijk je niet naar het rondebord. Je moet minstens zes kilometer op de automatische piloot kunnen doorkomen, om dan tegen jezelf te zeggen: O, nog maar tien ronden te gaan.
Je zult mij niet horen zeggen dat de tien kilometer de zwaarste afstand is, want dat is niet zo. Op de 800 meter hoef je maar één fout te begaan en je bent verloren. Bovendien is bij de vrouwen te weinig vooruitgang geboekt. Er wordt niet sneller gelopen dan ik tien jaar geleden deed. Atletes zijn vaak bang voor de afstand, daarom beginnen ze pas na vijf kilometer te versnellen. Dat is te laat voor een echt snelle tijd.
Een goed advies: loop altijd je eigen race. Het interesseerde mij niet wie mijn concurrenten waren. Vaak wist ik niet eens de namen. Ik hield niet van tactische races, gewoonlijk ging ik er al na twee ronden vandoor. Het is niets voor mij om 9600 meter aan veredelde jogging te doen, om dan de eindsprint over de titel te laten beslissen. Er is er maar één die daar iets aan heeft, namelijk degene die over de beste eindspurt beschikt. Al de anderen zullen verliezen op het laatste rechte eind.
Als ik in vorm was, vond ik het echt fijn om de 10.000 meter te lopen. Het was dan alsof ik vloog. Bij de EK in Stuttgart (waar ze in 1986 won in 30.23.25 had ik dat gevoel. Natuurlijk ben je diep in je hart bang dat de anderen er aankomen. Ik had mijn blik gefocust op de finish en op de plek op de tribunes, waar mijn coach Johan Kaggestad stond. Op een voor mij goed zichtbare plaats stond hij met een opvallend jack in de Noorse kleuren. We hadden afgesproken dat hij het uit zou trekken als ik een veilige voorsprong had op de anderen. Als hij het aantrok, wist ik dat de anderen dichterbij kwamen.
Als je je huiswerk goed hebt gedaan, heb je niet veel te vrezen. Ik doel op mentale training. Door sportpsycholoog Willy Raino raakte ik ooit mijn faalangst kwijt. Hij leerde mij om mezelf vooraan te zien lopen, in plaats van altijd maar op de tweede plaats (achter rivale Grete Waitz). Een maand voor een belangrijke wedstrijd begon ik met de mentale training. Meestal na een zware training - ik herinner me een sessie van twintig keer 400 meter in 72 seconden, met tussen door 100 meter joggen - ging ik thuis languit op de vloer liggen. Dat was voor mij ook een manier om te stretchen, want dat deed ik anders bijna nooit. Het waren tien minuten die helemaal van mij waren.
Ik dacht aan de 25 ronden, hoe ik mijn race wilde indelen, aan mijn tegenstandsters en alle mensen op de tribunes. Het was het beste moment om in gedachten mezelf triomfantelijk vooraan te zien lopen.
Op de wedstrijddag zelf ben je helemaal alleen met jezelf. Je leeft volstrekt in je eigen wereld. Je proberen gelukkig te voelen, jezelf steeds maar voorhouden dat het zo leuk is om hier te lopen. Je inprenten dat je heel goed bent voorbereid. En vooral: jezelf wijsmaken dat dit de dag van je leven is. Allemaal leugens, ja, maar zonder gaat het niet.'