Het is half een. Ik loop op een aardedonker weggetje in Iffley, een gehucht bij Oxford. Mijn koffer rolt ongeduldig achter me aan. Uit het donker doemt een statig Victoriaans huis op. Ergens daarbinnen past de sleutel die ik van de receptionist kreeg, op een deur en daarachter bevindt zich een nestje van katoen, wol en dons, waarin deze 75 kilo wegende dwaalgast zich na een veel te lange dag te ruste mag leggen. Nog even scheren, de wekker op scherp en dan val ik in slaap. Eindelijk.
Half drie. Op de gang bromt een rauwe mannenstem, vergezeld door hoog vrouwelijk gegiechel. Gestommel, iemand valt, een gil, ze vallen allemaal. Ik sta op het punt poolshoogte te nemen maar dan volgt een adembenemende slappe lach. Het gaat in golven: eerst royaal schateren, dan raakt de zuurstof langzaam op, decrescendo tot een gesmoord hinniken, om abrupt, na een ongecontroleerde hijs adem, weer voluit voort te galmen. Een onvoorwaardelijke overgave aan de absurditeit van het leven. Ik ben jaloers. Vijftien minuten later keert de rust pas terug.
Ik word wakker, grosso modo, en zeul mijn ledematen naar de waterkoker. Vijf minuten later lig ik in bed met een beker instantkoffie, terwijl Sian Williams en Bill Turnhall van het BBC Breakfast News me als oude vrienden bijpraten over Great Britannia en, o ja da’s waar ook, de rest van de wereld. Hoe gemakkelijk zou het nu zijn, om hier te blijven liggen. Mijn afspraken beginnen pas over een uur. Nog een beker koffie, aantutten met Sian en Bill. Maar nee, zo zit meneertje Van der Veertje niet in elkaar. Mezelf luid vervloekend, hijs ik me in mijn tights. Waarom nou toch?
De deur van het Victoriaanse huis valt met een knal achter me dicht. Het mist. Het landschap van wijlen Inspector Morse is veranderd in een melkachtige schimmenwereld, waaruit druipende bomen en oude spookhuizen opduiken. Het is filmisch stil. Mijn hersens, dommelend in mijn schedel, nemen een loopje met me. Achter die struiken ligt een naakte man, met uitpuilende ogen in een glanzend blauw gezicht. In die vuilniszakken zitten de afgezaagde lichaamsdelen van het Christ Church jongenskoor. Ik ga een lijk vinden of ik word zelf het slachtoffer, zeker weten.
Terwijl ik afdaal naar de Cherwell rivier, zie ik tot mijn schrik een gestalte. Help, iemand rent in volle vaart op me af. Ik knipper met mijn ogen: benen, lange benen, mooie benen, een paardenstaart, Unicef-blauwe ogen, een zoete mond, een wuivende hand. Mijn moordenaar is een college-studente, die passeert in een verdomd frisse tred. Snel gooi ik mijn hand in de lucht.
Bij Iffley Mill schuifel ik voetje voor voetje over het beijzelde bruggetje en snel over het jaagpad langs de Cherwell. Weer een gestalte. Mijn hersens zijn inmiddels klaarwakker. En ja hoor, weer zo’n verrukkelijk college-schepsel. Ik recht prompt mijn rug en voer het tempo op.
Dertig minuten en vijf beeldige studentes later keer ik blij als een puppy terug in mijn hotelkamertje. “Zie je nou, meneertje Van der Veertje”, brabbel ik onder de douche, “er is altijd een goeie reden om te gaan hardlopen. Soms, zelfs vijf.”
Tim van der Veer
December, 2009
Meer columns van Tim